Profil von IngridVLINDERKEFotosBlogGästebuchMehr Extras Hilfe

Blog


    07 März

    Voor weinig geld een prachtig boek lezen!

    In het volgende weblogitem vind je twee fragmenten uit mijn roman Joseph Johannes Jacobus.
    Deze roman begint in 1909 als een jonge vrouw ontdekt dat ze zwanger is van een zeeman. Vier jaar wacht zij op zijn terugkeer, maar als dat niet gebeurt trouwt zij uiteindelijk met Willem de kolenboer, die haar zoontje zijn naam geeft.
    De kleine Joseph is een gevoelige jongen die van tekenen en muziek houdt, maar daarnaast koestert hij een diepe liefde voor zijn verstandelijk gehandicapte medemens, die je toen nog gerust 'krankzinnigen' mocht noemen.
    Als Joseph achttien jaar is geworden, neemt hij dan ook een baan aan als verpleger op een krankzinnigengesticht in Eindhoven.
    Al spoedig leert hij Reina kennen, een Joods meisje dat hem steunt in zijn verlangen ééns zijn biologische vader te ontmoeten.
    Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Eindhoven komt zwaar onder vuur te liggen en Reina moet onderduiken.
    Voor Joseph is het een harde tijd, niet alleen omdat hij zijn vriendin moet missen, maar óók omdat hij betrokken raakt bij de ontruiming van 'Het Apeldoornsche Bos', een inrichting voor Joodse geesteszieken.
    Wanneer zijn moeder hem op een dag op het spoor zet van zijn biologische vader, ontwaakt Joseph uit zijn verstarring...
     
    Deze ontroerende volksroman bevat bijna 400 bladzijden en is via mij te bestellen voor 22 euro exclusief verzendkosten.
    Mensen die dit te duur vinden, maar het boek toch graag lezen, kunnen een digitale versie in hun bezit krijgen voor 7,50 euro.
    In beide gevallen is het voldoende een e-mail te sturen naar: vlinderke48@hotmail.com
     
     

    Fragmenten uit Joseph Johannes Jacobus

    Fragment 1:

     

    Het is stil in de kleine huiskamer van Cornelis Verhagen. De klok op de schoorsteenmantel tikt traag de minuten weg. Op het potkacheltje staat een ketel water te zingen, de dikke, grijze kat trekt even met zijn pootjes, slaapt dan weer verder.
    “Weet u zeker dat ik de pastoor niet moet waarschuwen?”
    Joseph werpt een onzekere blik op de gebogen gestalte van de kunstschilder. De afgelopen weken is hij zichtbaar ouder geworden.
    “Bespaar me die pastoor van jou!”
    De wind giert door de schoorsteen, sneeuwvlokjes kleven aan de ramen. Ergens ver weg luidt een klok om de mensen op te roepen naar de nachtmis te komen.
    Cornelis heft luisterend het hoofd op en zegt dan zacht: “Als die Onze Lieve Heer van jou rechtvaardig is, dan ruimt hij wel een plaatsje in voor die stumper. Met of zonder pastoor.”
    De logge gestalte in het ijzeren ledikant beweegt onrustig. Antons ademhaling is zwaar en onregelmatig. Joseph reikt achter zich en dompelt een doek in de gebarsten, emaillen schaal. Voorzichtig bet hij het bezwete voorhoofd van de krankzinnige jongen, diens wangen, de droge, gebarsten lippen.
    “Weet u nog, die keer dat we hem voor het eerst mee naar het kanaal namen?”
    “Ja, rooie. Ik moet je daar nog steeds voor bedanken.”
    “Bedanken?”
    “Zonder jou was hij nooit buiten gekomen,” zegt Cornelis eenvoudig, “zonder jou had hij nooit de zon gezien, nooit de regen op zijn wangen gevoeld, nooit…”
    De oude stem breekt. Joseph grijpt over het bed heen de hand van zijn werkgever en drukt die zacht. Buiten luidt nog steeds de klok, dwarrelt de sneeuw neer op de kerkgangers. Binnen is Anton aan zijn laatste uren begonnen.
    “Ik had nog veel meer willen doen,” zegt Joseph zacht, “nog zoveel meer.”
    “Je hebt gedaan wat je kon, rooie, en meer dan dat.”
    Joseph buigt zijn hoofd, vechtend tegen zijn tranen.
    “ Volgend jaar, als ik achttien ben, word ik verpleger,” zegt hij met verstikte stem, “dan ga ik voor stumpers zoals hij zorgen. Dan zal ik…”
    Zijn jonge schouders schokken, zijn knuist klemt zich om die van Cornelis.
    “Speel nog eens voor hem, rooie!”

     

    Fragment 2:

    Honderd kinderen staan al uren op hun blote voeten in de nachtelijke kou. Als één van hen dreigt om te vallen van slaap en vermoeidheid, is er altijd wel een bewaker die hen ruw overeind sleurt. Links en rechts worden stompen en klappen uitgedeeld, maar de kinderen geven geen kik. Ze kruipen steeds dichter opeen, slaan de armen om elkaar heen en proberen het klapperen van hun tanden te bedwingen. De groteren nemen de kleintjes in hun midden, trachten hen te beschermen tegen de gure wind die door de dunne nachtkleding dringt. Een meisje van een jaar of twaalf trekt haar versleten vestje uit en legt het om de smalle schoudertjes van een klein jongetje dat geluidloos staat te snikken. Het meisje, in het gesticht geplaatst omdat ze imbeciel is, wiegt het kleintje in haar armen tot het beven ophoudt. De andere kinderen maken een dichte kring om haar heen, heffen hun witte gezichtjes naar haar op, smeken stilzwijgend om een klein beetje bescherming. Niet één van deze kinderen heeft ooit een misdaad begaan, niet één van deze kinderen heeft het gruwelijke lot verdiend dat hen te wachten staat. Sidderend van angst zoeken ze troost bij elkaar, niet begrijpend waarom ze uit bed zijn gehaald, waarom de zusters en de broeders hen niet komen helpen. Star van ontzetting kijken ze toe hoe de elfhonderd krankzinnigen van het ‘Apeldoornse Bosch’ op het terrein bijeen worden gedreven, hardhandig tot zwijgen worden gebracht door een razende Aus der Fünten. Bevend van angst krimpen ze ineen als Albert Konrad Gemmeker, met getrokken pistool, naar hen toe loopt.

    In een lange rij lopen de kinderen, gedwongen door Gemmeker, naar de open vrachtauto’s die op de oprijlaan staan. Het imbeciele meisje loopt voorop, haar arm nog steeds om de kleine jongen heengeslagen. Achter haar vormen de andere kinderen een lange sliert, dapper hun éne been voor het andere zettend. In de doodse stilte die plotseling over het terrein neerdaalt, herinnert het meisje zich een liedje dat een Christelijke verpleegster haar heeft geleerd. Het maakt niet uit welk geloof je hebt, had de zuster gezegd, we zijn allemaal kindertjes van dezelfde God.
    Met trillende stem begint het meisje te zingen:

     

                             Ik ga slapen, ik ben moe
                             ik ga slapen, ik ben moe
                             sluit mijn beide oogjes toe
                             Here, houdt ook deze nacht
                             over mij getrouw de wacht

                             Boze dat ik heb gedaan
                             zie dat Here toch niet aan
                             schoon mijn zonden vele zijn
                             maak om Jezus wil mij rein

                             Zorg voor de arme kind'ren Heer
                             en herstel de zieken weer
                             ja, voor alle kind'ren saam
                             bid ik U in Jezus naam

                             Sta mijn ouders trouw terzij
                             wees mijn vrienden ook nabij
                             geef ons allen nieuwe kracht
                             door de rust van deze nacht

                             Doe mij dankbaar en gezond
                             opstaan in de morgenstond
                             als ik mijn oogjes opendoe
                             lacht Uw zon mij vriend'lijk toe.